Reisbestemming:
● Ambon – Kota Ambon Stori Hotel, Kota Ambon Hero Hotel, Hatalai
● Nusalaut – Leinitu
● Seram Saleman – Belariski Resort, Ora Beach Resort, Beach House Air Belanda
● Pulau Osi: My Moon Daud Resort

Ambon en Nusalaut, 9 januari tot en met 16 januari 2018
“Kijk daar! Ik zie Ambon liggen!” Enthousiaste geluiden van de Hollandse reizigers die op het punt staan om op het vliegveld Ambon Pattimura te landen. Het vliegtuig is voor minder dan de helft bezet en dus heeft iedereen languit over drie stoelen kunnen slapen. Eli uit Hatalai wacht ons op. Hij is de neef van Jaap en Alice Alfons uit Barneveld en hij heeft voor vervoer gezorgd naar het hotel. Het vliegveld ligt ten westen van de baai en Kota Ambon ligt aan de overkant. Vroeger moest men langs de kust rijden of halverwege de ferry nemen om de baai over te steken. Tegenwoordig is de nieuwe brug een enorme verbetering en in een mum van tijd rijden we in het centrum van Ambon. We melden ons bij het hotel en zetten de rugzakken in de kamers. Jeroen voelt zich wat ziekjes, hij duikt het bed in en valt al snel in slaap. De rest laat zich rijden naar café Sibu-Sibu. De mannen trakteren zichzelf op bir bintang, een biertje met een bekende ster. Rhani en Ina drinken warme thee waar zoals gebruikelijk enorm veel suiker in zit. Dit maal drinkt het lekker weg vanwege de verkoudheid en het verzacht de keel. Na enige tijd arriveren Claudia, haar neef Lorri en haar vriendin Juliët. Ina heeft geregeld dat de familie in het dorp Leinitu op het eiland Nusalaut bij Claudia’s vader Jerri en oom Ateng kunnen eten en slapen. Op Nusalaut zijn geen supermarkten. Slechts in een paar kleine lokale winkeltjes aan huis verkoopt men o.a. thee, koffie, water, frisdrank, koekjes, zeep, shampoo, bodylotion en eucalyptusolie. We doen daarom in Ambon de boodschappen. Met de boodschappenlijst in de zak springt Ina bij Eli achterop de brommer. Behendig en al toeterend rijdt hij door het drukke verkeer richting de supermarkt. Daar aangekomen vullen we drie karren met etenswaren, rekenen we af bij de kassa, gaan de boodschappen in dozen en vervoeren we het in een becak, een fietstaxi, naar het hotel.
Eli staat de volgende ochtend al weer paraat met 2 auto’s. Claudia, Lorrie en Juliët sluiten zich bij ons aan, zodat ons reisgezelschap uit 11 personen bestaat. Inclusief alle rugzakken, tassen, boodschappen en de twee chauffeurs is het nog een heel gepas en gemeet om alles en iedereen mee te krijgen. We rijden naar Tulehu, de oostelijke haven van Ambon en daar ligt onze speedboot klaar. Een klein bootje dat door het gewicht van de drie buitenboordmotoren al flink achterover helt. En dit wordt versterkt als alle bagage is ingeladen en alle passagiers zijn ingestapt. Zodra we varen, begint de matroos meteen water uit de boot te hozen. Dat draagt niet bij aan ons vertrouwen in een goede afloop…. De drie motoren maken een hels kabaal en de matroos heeft de taak om die motoren aan de gang te houden, want af en toe valt er eentje uit. Met een brandende sigaret in z’n mond tankt hij benzine bij! In anderhalf uur varen we over een kalme zee, kijkend naar de kustlijn en de ikan-ikan terbang, de vliegende vissen. We varen ten zuiden van de eilanden Haruku en Saparua, we passeren het eiland Molana en zien dan het eiland Nusalaut liggen! Dit is onze bestemming, het eiland waar de familie Latuputty vandaan komt. Hier is opa Leo geboren. Er woont veel familie in Leinitu en de komende dagen wordt het een familiereünie.
De boot vaart recht op Leinitu af en als we de baai invaren, we zien Jerri op het strand staan. Uitbundig zwaait hij met twee armen in de lucht. Het doet ons denken aan 2006 toen hij ons op precies hetzelfde plekje als waar hij nu staat bij ons vertrek lang uitzwaaide. Het is alsof hij al die tijd op het strand ons heeft opgewacht. De begroeting is allerhartelijkst.

Vlot worden alle spullen uitgeladen en in het gereedstaande busje gezet. Wat? Een busje? Dat was tien jaar geleden ondenkbaar. Toen liepen we over een zandpad met keien en was men net begonnen met de aanleg van een asfaltweg rondom het hele eiland. Nu lopen we zonder onze rugzakken door een zeer warm Sila, richting Leinitu en steeds meer mensen sluiten bij de stoet aan. Bij het huis van Jerri is een officiële ontvangst en we worden eerst toegesproken door Jerri zelf en daarna door een dame van de kerkenraad. Ina vertaalt de hoofdlijnen en laat even een traantje van emotie, zo blij als ze is om weer op Nusalaut te kunnen zijn en nu met een deel van de familie. De tafel wordt gedekt en we gaan eten! Heerlijke ikan, kangkun en nasi putih, vis, een soort spinazie en witte rijst. Als gasten eten wij eerst en daarna eten onze gastheren en gastvrouwen. Dat voelt ongemakkelijk, omdat wij graag samen eten, tegelijk en met elkaar. Ina verzekert ons dat men dit nu eenmaal zo doet en we moeten ons de komende dagen in de watten laten leggen. We slapen in de huizen van Ateng en eten steeds 3x per dag in het huis van Jerri. Tussendoor krijgen we thee met allerlei hapjes aangeboden, zoals pisang goreng, ubi goreng, kue lapis, verse ananas en Molukse groene pannenkoekjes. ’s Avonds zingen Jerri en Claudia voor ons Molukse liedjes en Jerri begeleidt op het keyboard. De liedjes gaan allemaal over het zelfde: de sterke familiebanden, over de mooie eilanden, het verlangen naar elkaar en dat we elkaar nooit zullen vergeten ook al wonen we ver van elkaar vandaan. Nogal sentimenteel, maar ook heel lief.

De dagen zijn een aaneenschakeling van eten, kletsen, familie ontmoeten, groepsfoto’s maken, de basisschool bezoeken, spelen met de kinderen, naar het strand gaan en weer eten. Voortdurend hebben we mensen om ons heen en het is heel gezellig.
Kenmerkend voor de manier van spreken hier is dat men min of meer zingend spreekt en de laatste lettergreep van een zin uitspreekt met een kopstem, een soort in toon oplopende uithaal.
Het dorpje Leinitu ligt er fleurig bij. De muurtjes langs de weg zijn in vrolijke kleuren geschilderd. Het lawaai van brommers over de weg neemt wel toe, maar het is nog steeds rustig te noemen. We zien huizen met betegelde veranda’s, maar we zien ook echt armoedige huizen waar de mensen op doorgezakte matrassen of op de vloer slapen.
Met Erik Latuputty en zijn ouders oom Feri Latuputty en tante Pau nemen we de stamboom door van 13 generaties Latuputty’s! Het papier waar alles op staat is oud en verkreukeld en wordt met eerbied als een relikwie behandeld. In Ameth kopen we grote rollen nieuw papier om een nieuwe versie te maken en om de laatste nieuwe generaties er bij te tekenen. Oom Feri vertelt dat de familie Latuputty eerst in Sila woonde. Na onenigheid hebben zij en de families Toisuta, Haurissa en Uruilal samen met de familie Tenlima die de helpers waren van de andere families, het dorp verlaten. De families trokken de bergen in en zij stichtten een nieuw dorp, genaamd Henapay. Erik suggereert de jongens om dat op de onderarm te laten tatoeëren, met het familiewapen: een haan….. Op last van de Nederlandse overheersers die hier waren voor de zeer lucratieve handel in pala, nootmuskaat en cengkeh, kruidnagel, werden de families gedwongen zich te verplaatsen naar de kust. Zo konden ze beter in de gaten worden gehouden. De families daalden af naar zee, vestigden zich naast Sila en noemden het dorp Henasiwa Hatalepu. Later is de naam veranderd in Leinitu.
De ontmoeting met oom Pietje, de volle neef van de vader van Ina, verloopt eigenlijk zoals verwacht: hij is niet in ons geïnteresseerd en bars zegt hij dat hij het huis in Leinitu niet beschikbaar wil stellen voor Nederlandse familie. Dat is bijzonder ongastvrij en hoogst onbeleefd, want het huis is van opa Leo’s geld gebouwd. Destijds heeft hij gezegd dat het huis tevens voor de familie uit Nederland is om er te wonen of te logeren. Toen hij nog in Leinitu woonde, heeft hij een klein huis gebouwd. Nu woont er de jongste zoon van oom Pietje, genaamd Leo. Nadat opa Leo naar Nederland was verhuisd, heeft hij destijds opdracht gegeven om een groot huis met een verdieping en veel slaapkamers te bouwen. Met gemak hadden we er allemaal kunnen slapen. Maar er staat natuurlijk niets op papier en oom Pietje stelt nu glashard dat hij zelf het huis heeft betaald. Ina weerspreekt hem en daar is hij niet van gediend. Hij loopt boos het huis in. Even later komt hij naar buiten en hij erkent dat hij wel degelijk geld heeft ontvangen van opa Leo, maar dat het niet genoeg was om het huis te bouwen. Tja, familie is niet altijd leuk….
Joël en Jeroen hebben een hengel meegenomen en dus wordt er gevist. Sven, Marc en Stephan stappen ook in de boot. Ze passen er net in. De verwachtingen zijn hoog. Er zit zoveel vis in zee, dat we zeker weten dat we die avond worden getrakteerd op ikan bakar. Keer op keer wordt de lijn uitgegooid. Maar helaas, er wordt niets, maar dan ook niets gevangen. Dan zien ze opeens op enkele tientallen meters afstand wel 30 dolfijnen uit het water springen. Wat een prachtig gezicht! Het maakt het boottochtje weer helemaal goed.

De volgende dag maakt Ina een ander boottochtje, want ze gaat met Stephan boodschappen doen op de markt in Saparua. Het is een drukte van belang en er is een grote bedrijvigheid. Altijd leuk om een markt te bezoeken. Bepakt met alle boodschappen voor de komende dagen varen we in drie kwartier terug.

Nusalaut is het kleinste eilandje van de Zuid-Molukken. Feitelijk liggen de eilanden centraal in het Molukse eilandengebied en staat het op de landkaart genoemd als Maluku Tengah, de Midden-Molukken. Haruku, Saparua, en Nusalaut worden gezamenlijk Lease genoemd. Nusalaut heeft de vorm van een cirkel. Het is er bergachtig, ondoordringbaar en vanaf zee zie je de hoogste top Lawakano 305 m boven zeespiegel opdoemen. De oppervlakte is slechts 12 km2, de kust heeft een lengte van 24 km.
Eigen en aardrijkskundige namen worden regelmatig met twee namen aangeduid. Het kan een verbastering/afkorting zijn (Martin wordt Ateng) of de oorspronkelijke naam is vervangen door een nieuwe. Het dorp Leinitu droeg vroeger de naam ‘Henasiwa Hata Lepu’ en het dorp Sila werd genoemd ‘Hena Siwa Hata Lepu Pewaai‘. Nusalaut werd genoemd ‘Nusahulawano’ wat Goudeiland betekent.

Met het busje maken we een rondje om het eiland. De chauffeur heeft met zijn busje een monopolypositie in de twee dorpen. Hij rijdt de kinderen naar de middelbare school in Ameth of Titawaai, vervoert de mensen van en naar de ferry in Ameth en nu gebruiken wij het als Bus Pariwisata, de toeristenbus. Gelukkig hanteert hij normale prijzen, wat je niet zou verwachten als er slechts één busje rondrijdt.
Jan en alleman wil mee, dus zitten we dicht op elkaar te zweten. Joël heeft waarschijnlijk de allerbeste plek. Hij zit achterop de brommer bij Ricardo uit te waaien en om zich heen te kijken. Met zijn lengte van 1,91m is het ook geen pretje om in een klein busje te zitten.
We stappen bij elk dorpje uit en zien een warm waterbron in Sila, bezoeken het huis van oma Corrie Leiwakabessy in Nalahia waar nu niemand woont, leveren paracetamol af bij familie van Nane Metekohy in de hoofdplaats Ameth, gaan op zoek naar familie van Herrie Souhuwat-Holle in Akoon, bezoeken het standbeeld Martha Christina Tiahahu in Abubu, vrijheidsstrijdster tegen de Nederlanders, we rijden door het dorpje Titawaai en komen na 4 uren terug in Leinitu. Wat een timing, precies op tijd om te lunchen.

In de middag gaan de meesten eerst boodschappen doen bij Eriks winkeltje en daarna lopen ze naar het strand, gevolgd door de neefjes, nichtjes en buurtkinderen. De basisschoolkinderen gaan 6 dagen per week naar school en hebben een continue ochtendrooster van 8 tot 12 uur. Ina komt meestal niet verder dan de huizen van de families Latuputty en kletst gezellig met alle generaties. Als de anderen terugkomen van het strand, staat de thee klaar. Febi, de vrouw van Erik maakt er lekkere hapjes bij. We smullen er van! Na de thee doen we een tweede ronde thee met lekkernijen, maar dan bij Jerri en zijn vrouw Na. Kortom, we worden in de watten gelegd.
De dagen verglijden in een aangenaam, rustig en ontspannen tempo. We maken het dorpsleven mee zoals dat al jaren zo is. Er wordt in de ochtend gewerkt op school, gebouwd aan een huis, onderhoud gepleegd aan een
boot, kleren gewassen bij de bron, getuinierd in de dusun, de moestuin, gevist in zee en gekookt in de keuken. Daarna lijkt iedereen de rest van de dag te rusten. We zien de mensen in de middag en avond onder het afdakje met familie en vrienden voor het huis zitten. Zouden ze de gedane werkzaamheden van de ochtend met elkaar doornemen? Of elkaar informeren over de laatste nieuwtjes van de andere eilanden? In ieder geval merken we op dat ze heel goed en heel lang kunnen zitten en kletsen.
Na bijna een week splitst onze groep zich op. Joël, Sven, Marc en Stephan reizen af naar de Kei eilanden en Banda, Rhani en Peter gaan naar Saparua en Seram en wij gaan vanuit Nusalaut met de ferry direct naar Seram.
Seram: Saleman, 16 tot en met 23 januari 2018
Vandaag nemen we afscheid van de familie. We hopen elkaar in de toekomst opnieuw te mogen begroeten.
Het bekende busje rijdt ons naar Ameth waar we de ferry naar Amahai op Seram nemen. In 2,5 uur varen we naar de overkant. We lopen de kade op en zoeken de auto die ons naar Saleman in Noord Seram zal brengen. Echter, geen spoor te bekennen. Dan loopt een man op ons af en hij vraagt: “Mau ke mana? Perlu taksi?” Ina legt uit dat we naar Saleman gaan en de taxi zoeken die we al hebben besteld. Dan vraagt ze hem: “Zou je voor ons willen bellen waar hij blijft? Wij hebben met onze HP, handphone, geen signaal.” Meteen belt hij het nummer en hij zegt dat hij ons naar onze taxi zal brengen. De chauffeur is namelijk nog bezig met boodschappen doen. We stappen in, pinnen nog bij een bank en tien minuten later zitten we in onze eigen bestelde taxi. De rit naar Saleman duurt twee uur, waarvan we het eerste uur bij daglicht meemaken. De smalle en bochtige weg is goed, stijgt en daalt af en toe behoorlijk en het uitzicht is prachtig. We rijden door de bergen van het ondoordringbare oerwoud en voortdurend zien we afwisselend de toppen van de bomen, de steile afgrond en de hoge bergen. Onderweg wordt er getankt. Niet bij een benzinepomp, wel bij een supermarkt waar men de benzine in jerrycans verkoopt. Met een trechter wordt de benzine in de tank gegoten. De auto schudden ze flink heen en weer, zodat de benzine soepel door de trechter stroomt. We zijn verbaasd als we horen wat een liter benzine kost. In Java betaal je 45 cent en in Seram 72 cent voor een liter. Zeer merkwaardig.
Na twee uur arriveren we in Saleman. De auto stopt voor het resort, wat bestaat uit een overdekt restaurant en drie aaneengeschakelde ruime kamers op palen in zee. Koko verwelkomt ons in het Engels en hij brengt ons naar de kamer. “Where do you want to sleep?” Er zijn geen gasten en we mogen zelf weten waar we willen slapen. We kiezen de middelste kamer. De kamers hebben samen één grote veranda met elk een eigen zitje. We hebben geen idee wat er voor ons ligt. Nu kijken we uit op een groot zwart gapend gat met in de verte lichtjes. Morgen zullen we zien waar we zijn terecht gekomen.
“Het avondeten staat klaar,” roept Koko. Al weer eten. Een favoriete bezigheid van de Indonesiërs. En ook van ons, want er wordt steeds voortreffelijk gekookt! Na het eten duiken we het bed in. “Selamat tidur.”
De volgende dag worden we uitgerust wakker. Nieuwsgierig naar het uitzicht lopen we de veranda op. Naast het resort zien we de steiger met een twintigtal boten liggen. In het water zien we verschillende soorten vissen zwemmen. Jeroen wijst verrast naar een paar grote vissen die prachtige blauw en paars zijn gekleurd. “Ik kan zo vanaf de veranda mijn hengel uitgooien,” roept hij enthousiast. Voor ons ligt de Seramzee. Saleman ligt aan een wijde baai, waardoor we zowel links als rechts werkelijk een fantastisch uitzicht hebben op de kustlijn en de hoge indrukwekkende bergen. We kijken uit op een paar verticale bergwanden. Dit noemen we nou een spannend uitzicht! Er is van alles te zien. We hebben een juiste keuze gemaakt om naar dit plekje te reizen en boffen dat we dit natuurlijk schoons mogen aanschouwen. Dat besluiten we vandaag dan ook maar te doen. Vanaf de veranda genieten we volop, ondanks dat het zwaar bewolkt is en het veel regent. In het zuidfranse Baron maken we er een sport van om niet van het land af te komen, hier in Saleman zijn we de hele dag niet aan land geweest. Het restaurant waar we de drie maaltijden nuttigen, bereiken we via de steiger. We vervelen ons geen moment. Het is een komen en gaan van boten die vooral lokale toeristen vervoeren naar bijzondere plekjes in de baai. Jeroen gooit zijn hengel uit. “Ja, ik heb beet!”, roept hij al gauw. Warempel! Ina ziet een wild spartelende middelgrote vis aan de haak hangen. De vis beweegt echter zo wild, dat hij los komt en terug valt in zee. Dat is nou een typisch geval van jammer. Jeroen doet nog vele pogingen, maar de vissen happen niet. Aan het eind van de dag zien we verderop in zee de vissen in grote getalen vrolijk rondzwemmen. “Eén dezer dagen zal ik met een bootje de zee opvaren en vis vangen,” zegt Jeroen resoluut. We gaan het vast beleven.

Na een rustdag wordt het tijd om iets te ondernemen. Wat moet je doen als er door de steile bergwanden geen wegen zijn en de zee voor je ligt? Juist, we huren bij Koko een boot die ons naar interessante plekjes brengt. Allereerst varen we naar een rotswand die vanuit zee verticaal omhoog doemt. Het zeewater golft hoog tegen de rotsen en trekt zich daarna behoorlijk terug. Koko wijst ons op een deel waar de rots goed is te zien. Hij zegt dat het mogelijk is om de onderwatergrot in te zwemmen. Helaas gaat dat door de behoorlijk sterke stroming nu niet lukken. Je zou zo tegen de rotswand worden gesmeten. “Kijk,” zegt hij, wijzend op zijn mobiel. “Ik heb er een foto van gemaakt.” De afbeelding ziet er indrukwekkend uit, maar voor nu blijven we uit de buurt van de grot.

We hebben de snorkels meegenomen die we voor vertrek nog snel hebben aangeschaft. Daar zijn we blij mee, merken we als we het water in duiken. Onder ons verschijnt de wondere wereld van koraal, zeesterren, zee-egels en tientallen vissen in alle soorten, kleuren en maten. Door al dat moois weet je gewoon niet waar je naar toe moet zwemmen en waar je als eerste naar moet kijken. Het blijkt al gauw dat het het beste is om languit in zee te blijven hangen, je ogen de kost te geven en het op je vaste plaat in te prenten. We krijgen er geen genoeg van. Maar er is meer te zien. Morgen verkassen we naar Ora Beach Resort. Vanuit Saleman hebben we het aan de overkant zien liggen: zeven huizen op palen in zee en idem dito een restaurant, gelegen aan een wit zandstrand. “Willen jullie er alvast een kijkje nemen?,” stelt Koko voor. We kijken elkaar aan. “Ach, waarom ook niet,” zegt Jeroen. “Als het niets is, dan kunnen we altijd nog in Saleman blijven of iets anders zoeken,” grapt Jeroen. Op internet hebben we prachtige foto’s en filmpjes gezien. Het is waarschijnlijk het duurste onderkomen in de regio en wellicht van onze hele reis, maar we willen het onszelf niet onthouden. De boot meert aan op het strand en een jongeman verwelkomt ons hartelijk. “Selamat datang.”

Het resort ligt er schitterend bij. De paalwoningen en het restaurant zijn opgetrokken in traditionele stijl, gebouwd van tropisch hardhout met een dak van atap, palmbladeren. Op het strand staan zes huisjes die twee aan twee aan elkaar zijn geschakeld. Strandbedden nodigen uit om er een middagdutje te doen, er hangen schommelbanken, schommels aan lange touwen en op de stam van de over zee gebogen palmboom, zien we treden die leiden naar een veranda in de vorm van een groot hart. Vanaf hier heb je uitzicht over het resort. Het valt op dat het personeel een uniform draagt. Dit alleen al doet een luxe onderkomen vermoeden waar het management vast en zeker aandacht besteedt aan een goede service voor zijn gasten. We denken dat we het er wel een paar dagen zullen uithouden. Als we weg gaan, lezen we dat daggasten per persoon Rp. 25.000,00 (€ 1,50) moeten betalen. We worden op het bord gewezen, maar we negeren de aanwijzing en stappen de boot weer in.
Op naar het volgende strand: ‘Air Belanda’. Je zou denken dat het allemaal eender is, maar niets is minder waar. Het strand met een lengte van een paar honderd meter loopt in een flauwe bocht en is afgescheiden door een rotswand aan de ene kant en een groen bedekte rotsheuvel aan de andere kant. Pal aan zee staan een paar eenvoudige huisjes bij elkaar, ingericht als restaurant en winkel. Verderop staan op een rij drie houten huizen op palen in zee. Er straalt een serene rust uit over deze baai en behalve de lokale bevolking zien we verder niemand. We lopen tussen de houten gebouwen door waar een beek met een haakse bocht en een behoorlijke stroming de zee instroomt. We proeven het zoete water en liggen languit in de heldere en koele beek. Wat een aangename verassing. Het is veel frisser dan het warme zeewater. Hierdoor koelen we heerlijk af en we zijn voor even de hitte en klamheid kwijt.
“Kun je hier ook slapen?”, vraagt Ina aan een jonge dame die naar ons toe loopt. Op internet konden we geen accommodatie vinden. “Jazeker”, zegt ze lachend en ze opent de deur van één van de twee kamers die zij verhuurt. Het ziet er zeer eenvoudig en schattig uit. Het tweepersoonsbed past er precies in en voor het bed is net genoeg ruimte voor de rugzakken. Aan de muur hangen een paar haken en twee planken. Meer heb je niet nodig voor een verblijf. Het sanitair is buiten om de hoek en deel je met je buren. Toilet en doucheruimte zijn van elkaar gescheiden. Om te douchen kun je zelfs kiezen: onder een douchekop staan of, zoals lokaal gebruik, met het water uit de emmer mandiën door water over je heen te gieten. Voor de kamer is een zitje, bestaand uit een houten tafel en boomstammen om op te zitten. Privacy is gecreëerd door een laag hardhouten hek. “Het is net een maand geleden opgeleverd,” zegt de jongedame trots die Acha heet. We vinden het aandoenlijk. Niet alleen de kamer, maar vooral ook de ontspannen sfeer die we proeven.
“En wat vraag je voor één nacht, Acha?”, vraagt Ina nieuwsgierig.
“Dua ratus limah puluh ribu”, antwoordt ze.
“Oh, 250.000 rupiah, Jeroen. Dat zijn nog eens leuke prijzen voor een fantastische plek.”
“En voor drie maaltijden bereken ik 150.000 Rp. per persoon,” vervolgt Acha haar PR-praatje.
Het klinkt aantrekkelijk. En aan de heerlijke geur van eten die meteen onze eetlust doet opwekken, schatten we in dat ze goed kan koken. Hadden we dit adresje maar eerder geweten.

We maken ter herinnering wat foto’s. Koko volgt ons steeds op de voet. Hij neemt ongevraagd het mobiel van Ina uit haar handen en sommeert ons in de lucht te springen terwijl hij de camera laag houdt. “Nee hè, zeker net zo’n foto als al die honderden selfies die we de Indonesiërs zien nemen. Lekker duf,” zucht Ina. Maar we willen Koko’s pret en hulpvaardigheid niet bederven. De eerste foto lijkt volgens hem nergens naar. We springen niet hoog genoeg om het beoogde effect te krijgen. Het is ook niet gemakkelijk om je af te zetten op het mulle zand in de hitte. Gedwee doen we nog vier pogingen en de laatste foto kan hij warempel goedkeuren. Hij showt ons tevreden het resultaat. Ach, toch wel grappig.

We begroeten Acha en haar familie, stappen de boot weer in en al we laten Air Belanda achter ons. De middag brengen we door op onze veranda, Jeroen vist nog wat, maar het resultaat is helaas nul. ’s Avonds smullen we van de heerlijke maaltijd bereid door Koko’s vrouw. Hij boft met haar en haar voortreffelijke kookkunsten.
Nog één dag verblijven we in Belariski. We maken een wandeling door het langgerekte dorp. De bewoners groeten ons vriendelijk. Het toerisme in Saleman neemt toe. Twee nieuwe accommodaties, wederom houten huizen op palen in zee, zijn bijna klaar voor gebruik. In het afgelopen jaar zijn er in de brede baai maar liefst acht verhuurbedrijven bij gekomen. Het gaat goed met de economie op Seram!
Als we het dorp uitlopen, vervolgen we het zandpad dat parallel aan zee loopt. We raken in gesprek met een man die ons zijn pas gebouwde vakantiehuisjes wilt laten zien. Dat laten we ons geen twee keer zeggen. Nieuwsgierig zoals we zijn naar de bouwstijl, volgen we de man en trots showt hij zijn accommodatie, twee huizen op palen in zee. De huisjes zijn opgetrokken uit hardhout en duidelijk is te zien dat er aandacht is besteed aan het interieur en de afwerking. We zien een grote kamer, horgaas voor de ramen, een volledig ingericht sanitair volgens westerse maatstaven, haakjes aan de muur en een groot balkon met uitzicht op zee en een klein eilandje. Hier is goed over nagedacht. “We gaan binnenkort uitbreiden en we willen er nog huisjes bijbouwen”, vertelt de man ons. “Maar hoe heet dit dan?” vraagt Ina. “Sengkei Water Cottage,“ antwoordt hij met een brede glimlach. Wij kunnen ons wel voorstellen dat gasten hier willen overnachten. De man nodigt ons uit voor een drankje en hij brengt ons naar het restaurant dat net iets van het strand af ligt tussen de palmbomen. Terwijl hij thee voor ons maakt, genieten wij van het coulisselandschap met uitzicht op zee. Zodra wij de thee voorgeschoteld krijgen, vraagt de man onze mening over de plaats van het restaurant. “Is dit wel een goede plek voor het restaurant? Of zou een restaurant op het strand beter zijn? “Wel nee!”, roepen wij tegelijk uit. “Dit is een prachtplek. Het huisje staat al in zee, je kunt wandelen over het strand en eten onder de palmbomen. Genoeg variaties,” zegt Jeroen met overtuiging. Dat doet de man zichtbaar deugd. Nu de gasten nog om het te laten ervaren. Hij is er helemaal klaar voor.

Na de thee, die we beslist niet mochten betalen, lopen we verder tot het eind van het strand. Het strandzand houdt hier op. Of we lopen verder door de zee, of we slaan het smalle heuvelpaadje in. We besluiten het laatste te doen terwijl wij ons afvragen of we ook slangen zullen tegenkomen. Het paadje brengt ons steeds hoger de heuvel op, maar we zien de zee niet meer. Is dit wel goed? Gaat het ergens naar toe? We geven niet op en dat wordt beloond. Boven op de heuvel zien we Air Belanda en de huisjes van Acha en haar familie. Wat een wonderschone baai, constateren wij. “Kom, we gaan er even naar toe,” zegt Ina terwijl ze de glibberige afdaling al heeft ingezet. De drie houten paalhuisjes in zee die we passeren lijken verlaten. Daar zien we Acha zitten. Ter plekke besluiten we, wederom geobsedeerd door het natuurschoon, het verblijf in deze baai te verlengen met één nacht. Acha verheugt zich op onze komst. We zijn namelijk de eerste gasten. Meteen regelen we met haar dat de boot ons van Ora Eco Resort zal oppikken. We betalen beduidend minder in vergelijking tot de boot van Belariski. Eigenlijk willen we nu wel over zee terug naar het hotel in plaats van te wandelen. Acha loopt direct naar haar man en zij gebiedt hem om ons over te varen. Tevreden stappen wij het bootje in. “Tot over een paar dagen,” roepen we zwaaiend naar Acha.
De komende drie dagen vertoeven we op Ora Eco Resort. Koko brengt ons met de boot. We nemen afscheid van hem, hij wenst ons een fijne vakantie en hoopt ons een keer terug te zien.
Ora Eco Resort is een verblijf dat in de duurdere prijsklasse valt. Niet zozeer vanwege het luxe onderkomen, wel vanwege de plek. Je kunt zo het koraal in zwemmen en prachtig snorkelen, vandaar dat er veel dagtoeristen komen. Wij brengen de dagen rustig door met zwemmen, snorkelen, wandelen over het strand, lezen en natuurlijk eten. De chefkok heeft zeven jaar in de keuken van Van der Valk in Apeldoorn gewerkt. Hij legt ons uit wat het verschil is tussen gula jawa en gula merah, twee varianten suiker, want het is zeker niet hetzelfde.
We worden verrast door een bezoekje van Peter en Rhani die in Sawai logeren, een dorp in de baai naast ons. Leuk om elkaar even te zien en te horen wat zij intussen hebben ondernomen in Saparua en Seram.
Onze laatste nacht in Noord Seram brengen we door op Air Belanda bij Acha. Zij verwelkomt ons met koffie en ketupat, kleefrijst, ook wel lontong genoemd, verpakt in gewoven palmbladeren. Achter het huis zien we de familie het fundament voor de palen van een derde vakantiehuis bouwen. In de tropische hitte mengen zij het cement. Niet in een cementmolen, wel in een boot met de hand en een schep. Dit doet ons denken aan Baron waar wij cement in de kruiwagen hebben gemengd toen wij geen elektriciteit hadden. Zwaar handwerk!
Wij hebben het bijzonder naar onze zin bij Acha. We hangen in de hangmat, zien de kinderen spelen in de zee, schuilen voor de regenbui onder het afdak voor het restaurant en we zijn onder de indruk van haar kookkunst. Acha verkoopt in haar restaurant ook akar bahar, wat letterlijk verbrande wortel betekent. Het is een plant in de vorm van een struikje die uit zee wordt gehaald. De mooiste stronken verhit men om tot een armband te buigen. Elke armband is daardoor uniek. Het staat bekend om de mystieke kracht, het zou helpen tegen reuma en gewrichtspijnen en om de ware liefde aan te trekken. De armband brengt geluk en bescherming. Volgens traditioneel gebruik mag je het niet zelf kopen. Wij kiezen elk een mooie armband uit en geven het aan elkaar.
Tegen het eind van de dag gaat Jeroen vissen in de prauw. Scholen jonge tonijn schieten langs de boot, maar bijten doen ze niet. Na het avondeten gaan we, net zoals de familie vroeg naar bed. In de eenvoudige kamer slapen we prima.

Seram, Pulau Osi van 23 tot 26 januari 2018
Vandaag gaan we naar het Westelijke puntje van Seram, met het openbaar vervoer. We wachten ’s morgens tevergeefs op de boot uit Saleman, want zoals was afgesproken en meerdere malen was bevestigd, zouden zij ons brengen naar Masohi. Er wordt gebeld door Acha en na zo’n 3 kwartier is de boot er. Ook de auto blijkt nog te moeten worden geregeld. Uiteindelijk zijn we op pad en rijden over dezelfde mooie route terug als op de heenreis. Precies vóór de busterminal in Masohi blijkt onze taxi een lekke achterband te hebben. Pech voor de chauffeur, geluk voor ons! Snel vindt Ina een busje dat naar Kairatu rijdt, de plaats waar de ferry richting Ambon vertrekt. Van daar moeten we verder vervoer zoeken richting Piru en Pulau Osi. De rugzakken gaan op het dak.
”Wanneer vertrekken we?”
“Als mijn busje vol is”
“Dat kan wel even duren, wat kost het als je nu vertrekt?”
“Euh, 1 juta, 1 miljoen Rp.”
“Pff, dat is veel te duur! We betalen 600.000 Rp als je ons helemaal naar Pulau Osi brengt.”
“Nee, dat kan niet. De benzine is heel duur en Osi is wel 5 uur rijden!”
“Denk er nog maar even over na, wij gaan pisang susu kopen voor onderweg.”
Als we terug zijn bij de bus, komt de chauffeur op ons toelopen. “Ik kan jullie naar Osi brengen voor 700.000 Rp” en hiermee gaan we akkoord. De drie andere reizigers zijn blij verrast dat we al vertrekken en om de vreugde te verhogen delen we koekjes en pisang uit.
Na een flinke reis worden we afgezet bij de ‘brommerterminal’. Vanaf hier gaan we achterop de brommer over vlonders naar het eiland Osi. Zeer fotogeniek!

We verblijven bij My Moon Daud Resort en kiezen voor een cottage op palen in het water. Er is volop keuze, want we zijn de enige gasten. We hebben een vrij uitzicht over de baai. Voor het avondeten mogen we twee vissen aanwijzen in de kweekvijvers. Het smaakt ons heerlijk. Als we de maaltijd hebben beëindigd, zorgt hevig onweer met veel regen voor lekkage in het restaurant. Het water stroomt over de lampen, waardoor de vonken er vanaf springen. De serveersters kijken onder de indruk naar het geknetter en gesis, maar blijken geen idee te hebben van het brandgevaar van kortsluiting! Ina maant ze tot actie om de hoofdschakelaar uit te doen en gelukkig gaan ze dat doen. Ze legt uit dat het licht pas weer aan mag als het niet meer lekt en ze knikken gehoorzaam….
Pulau Osi is een vissersdorpje op een eiland. De overheid heeft voor een vaste verbinding gezorgd door lange vlonders aan te leggen die de verschillende kleine eilandjes met elkaar verbinden. Ook zijn er 3 jaar geleden door de overheid zonnepanelen geplaatst voor de installatie die van zout water zoet water maakt. Mooi duurzaam initiatief, vinden wij. Het blijkt dat de installatie al na 6 maanden kapot ging en sindsdien niet is gerepareerd. Het dorp krijgt nu zoet water via een leiding van de vaste wal…
Jeroen spreekt af met een booteigenaar om aan het eind van de dag te gaan vissen. Vaak zit er plastic drijfafval aan de haak, maar ook is er regelmatig beet. Uiteindelijk is de vangst 1 rode snapper.

De volgende dag brengt dezelfde schipper ons naar het nabij gelegen onbewoond eilandje Marsegu met een heerlijk strand en schitterend koraal, de mooiste die we tot nu toe in Indonesië hebben gezien. De dag verglijdt met lezen, snorkelen, slapen in de hangmat, strandwandeling … Het lijkt wel vakantie.
Maluku, Ambon van 26 tot 29 januari 2018
Redelijk op tijd vertrekken we achterop de brommer naar de vaste wal, waar we de bus pakken richting Kairatu. Vandaar vertrekt de ferry naar Ambon, een oversteek van ongeveer twee uur. De reis verloopt soepel en in de middag worden we ondergedompeld in de drukke hectiek van Ambon. Het is een contrast met de rust van de afgelopen tijd op Nusalaut en Seram. We nemen onze intrek in hotel Hero, tegenover het imposante kantoor van de gouverneur. We laten T-shirts bedrukken met teksten als: Henapay en Latukau (de oude namen van Leinitu) en verder ontwerpen we ons eigen logo voor 4×4 nomads.

Ina praat al weken over haar voornemen om haar goudvoorraad uit te breiden en dat gaat ze nu doen. We lopen verschillende winkels in en vinden uiteindelijk de 23 karaats oorbellen die ze mooi genoeg acht. De oorbellen gaan op een weegschaal en dan begint het onderhandelen over de goudprijs. Ina krijgt extra korting als ze er een ring bij koopt. Totaal koopt ze 5,2 gram goud en ze is er erg blij mee.
We bezoeken de familie Alfons in Hatalai. Ina is petekind van Eli Alfons, de vader van de familie Alfons uit het kamp De Biezen te Barneveld. We worden hartelijk ontvangen en moeten meteen eten. “Ha, lekker, soto”, zegt Jeroen, maar dat blijkt niet te kloppen. Het is stoof, zeggen ze en heeft nagenoeg dezelfde ingrediënten als soto. Jeroen ziet en proeft geen verschil, maar neemt twee borden vol. Ook krijgen we rijst, gebakken in bamboestengels en geroosterd op een houtvuur, erg lekker. Eli en Hanny nemen ons mee op de brommer naar het ‘centrum’ van Hatalai. We stoppen op de parkeerplaats boven het dorp, ‘terminal’ genoemd door de plaatselijke bevoling. Het dorp ligt tegen een zeer steile helling en heeft daardoor veel lange trappen. Er is geen andere manier om beneden te komen, er is namelijk geen weg. Dit betekent dat alle materialen zoals voedsel, zand, cement en stenen op de rug moet worden getransporteerd. Respect!
We maken nog een rondje langs verschillende dorpjes en komen uiteindelijk bij zee uit. Daar treffen we duikers die met harpoenen grote vissen hebben geschoten.

We nemen afscheid van de familie Alfons en moeten beloven dat we de volgende keer bij hun blijven slapen. Eli en Hanny brengen ons op de brommer terug naar ons hotel. We pakken onze spullen in en gaan op tijd slapen, want morgen vliegen we vroeg naar Sulawesi.
Saudara-saudara di Maluku, sampai baku dapa!
Familie en vrienden in de Molukken, tot een volgende keer!
AMATO-OOO!