Bintan

Reisbestemming:
● White Sands Island
● New Marjoly Beach Resort

Bintan, White Sands Island, 20 april
Na onze reis in Nieuw-Zeeland zijn we naar Singapore gevlogen om daar een paar dagen door te brengen. En omdat Bintan slechts een uur varen van Singapore ligt, hebben we op de kaart bekeken of er nog interessante strandjes te vinden zijn. Die zijn er in overvloed, hebben we gemerkt. Zo ook de vele hotels in diverse prijsklassen. Na enig speurwerk hebben we twee accommodaties geboekt. Eerst drie nachten bij ‘White Sands Island’, een klein onbewoond eilandje met wit strand, twee kilometer voor de oostkust van Bintan. Daarna drie nachten bij New Marjoly Beach Resort, dat slechts zes kilometer verderop ligt. Jeroen heeft altijd al gewild om vanaf de kamer op blote voeten zo over het strand naar de zee te lopen. We hopen dat het op deze locaties kan.
Bintan is het grootste eiland van de Riau-Archipel. Totaal zijn er ruim 3000 eilanden waarvan er ruim 700 nog steeds geen naam hebben.

Met de ferry maken we van de haven ‘Tanah Merah’ op Singapore de oversteek naar ‘Bandar Bentan Telani’ in Bintan. Het hotel had ons gevraagd of we vanaf de haven vervoer nodig hadden, maar dat kunnen we prima zelf regelen. Gewoon met openbaar vervoer, simpel en goedkoop. Althans, dat dachten we. Na de douaneformaliteiten wachten de medewerkers van het plaatselijke taxibedrijf ons al op. “Jullie zijn me te duur, hoor,” zegt Ina lachend in rap Indonesisch. De twee mannen kijken haar aan en laten haar de prijslijst zien. “Het kost maar Rp. 390.000 en dan ben je er in een uur,” zegt één van hen. “Wij nemen een angkot, openbaar vervoer.” “Itu tidak bisa, bu.” “Hoezo, dat kan niet?” vraagt ze verbaasd. De jongeman legt haar uit dat er op Bintan weinig mensen wonen waardoor er geen klandizie is. Als men ergens naar toe wilt, gaat men lopen, heeft men een brommer of een auto als je het kunt veroorloven. Er zit niets anders op om een taxi te bestellen. Naast het loket luistert een andere man mee en hij biedt zich direct aan om ons naar de andere kant van het eiland te brengen. Hij blijkt de taxichauffeur te zijn. We hebben geen keus en knikken dat het akkoord is. Terwijl we wachten totdat de chauffeur zijn auto voor de uitgang rijdt, vragen de mannen aan Ina hoe het komt dat ze Bahasa Indonesia spreekt. Voor de zoveelste keer legt zij uit dat haar vader uit Maluku komt. “Oh, Ambon. Ambon manisé!” is steevast het antwoord.
Als we de bagage in de achterbak hebben geladen, rijden we weg. De taxichauffeur stelt zich voor als Pak Fahmi. Hij is ons geheel tot onze dienst en vraagt of we eerst willen eten. Kijk, dat klinkt goed, eerst eten. Echter, wij hebben in Singapore nog soep gegeten, maar we hebben wel zin in koffie. Pak Fahmi brengt ons naar een dorpje waar veel restaurantjes zijn en de mensen er op het overdekte plein kunnen eten. In elk restaurant koken de vrouwen ter plekke hun specialiteiten en stellen deze tentoon in de glasvitrines. Het ziet er verrukkelijk uit. “Ik koop voor jullie pisang goreng,” zegt onze chauffeur. Helemaal goed, daar houden wij wel van. We zitten er gemoedelijk en zien hoe het dorpsleven er aan toe gaat.

We stappen de auto in en rijden naar de oostkust. Het eiland kenmerkt zich door heuvelachtig landschap en donkerrode grond. Op sommige plaatsen is de erosie goed te zien door het gebrek aan beplanting. Pak Fahmi is een vrolijke man en een gemakkelijke prater. Hij vraagt ons of we al vervoer hebben als we terug gaan naar Singapore. We maken een deal en voor Rp. 250.000 komt hij ons over zes dagen ophalen. Hij zegt dat het een speciale prijs is voor ons, omdat we aardig zijn en Ina deels van Indonesische afkomst is. Profijt door positieve discriminatie.
We melden ons bij de aanlegsteiger van White Sands Island. De receptionist wil weten of we vooraf hebben geboekt. Ina toont de appjes op haar mobiel waarmee in februari de boeking is gemaakt. Hij belt met de manager aan de overkant en Ina hoort dat hij niet helemaal op een rijtje heeft hoeveel gasten er zouden verblijven. Gelukkig zijn niet alle kamers bezet, dus we kunnen overvaren.
Vanaf de oever zien we duidelijk het eiland met het witte strand. Als we aan de overkant arriveren, worden we door het jonge personeel hartelijk verwelkomd die ons meteen naar de kamer begeleiden. We hebben het eenvoudigste hutje gereserveerd met een matras op de grond. Als de deur van het hutje wordt geopend, zien we een ruime kamer met twee handdoeken in de vorm van een hart op het tweepersoonsbed. “Dit is toch niet onze kamer?” vraagt Ina verbaasd. “Jawel hoor,” bevestigt het personeel. Ze begrijpt het niet en zegt dat dit een kamer voor een honeymoon is, waarop de meiden beginnen te giechelen. Al gauw begrijpen we dat het een upgrade betreft, dankzij de manager, omdat hij ons is vergeten en alle eenvoudige hutjes al zijn bezet. “Is okay?” vragen de meiden in koor. Tja, wij protesteren natuurlijk niet. Het luxe hutje staat op het strand met uitzicht op een ander klein eilandje. Achter ons staat de eetbar, genaamd ‘CoCo’s Beachclub waar voortdurend muziek uit de geluidsboxen klinkt, compleet met ligstoelen, hangmatten en een schommel in het water. Van hieruit stap je zo de zee in. Het ondiepe water kleurt bij het strand fel azuurblauw en in het diepere deel van de zee donkerblauw, hetgeen een mooi contrast oplevert. De wuivende palmen complementeren het geheel, zodat je terecht kunt spreken van een ‘Bounty-eiland’. Dit is precies wat we zochten.

Indonesië Bintan collage 01

 

Bintan, White Sands Island, 21, 22, 23 april
Het eiland is ongeveer 100 bij 500 meter. Een deel bestaat uit mangrove, waardoor het onmogelijk is om rond het eiland te lopen. Ook hier zien we, net zoals in Bali, dat bij vloed afval aanspoelt wat door het personeel wordt verzameld. Twee keer per dag harken ze het zand aan. Ze maken een gat in het zand waar ze de bladeren en naalden van de bomen in begraven. Het is elke dag weer een hele klus.
Overdag worden dagtoeristen op het eiland afgezet. Zij blijven er ongeveer een uur en worden daarna weer opgehaald. De eerste twee dagen delen wij het eiland met acht andere gasten, expats afkomstig uit Singapore. Op de laatste dag zijn wij de enige gasten met twintig personeelsleden.
We hebben ons deze dagen prima vermaakt met lezen, zwemmen en relaxen. Mochten we nog een keer in de buurt zijn, komen we hier zeker weer terug.

 

Bintan, New Marjoly Beach Resort, 23, 24, 25, 26 april
Aan het eind van de dag vaart de boot ons terug naar het eiland Bintan. De manager heeft beloofd dat hij en zijn vriend ons met een brommer naar New Marjoly Beach zou brengen. Het ligt slechts zes kilometer verderop. Maar aan de overkant zien we noch de manager, noch zijn vriend. De receptionist bedenkt zich geen ogenblik, pakt de autosleutels en rijdt ons naar het resort. We hoeven er niets voor te betalen. Toch geven we hem geld, wetende dat hij van het eiland Flores komt en zijn vrouw geld stuurt die daar hun drie kinderen alleen opvoedt.
Ook bij New Marjoly is de ontvangst hartelijk. Het resort is sinds een jaar in handen van een echtpaar. Samen met een manager regelen ze de zaken. Tijdens ons verblijf zien we hen dagelijks vergaderen in de buitenlucht aan het strand. Geen slechte plek voor een kantoor. We raken met de eigenaren in gesprek. Als de man vraagt hoe wij heten, kan hij de naam ‘Jeroen’ moeilijk uitspreken. “That is too difficult. You must have an Indonesian name,” zegt hij tegen Jeroen. “You can call him ‘Yun’. That sounds Indonesian,” zegt Ina. Dat vindt hij een goed idee en elke keer als wij hem tegenkomen, begroet hij Jeroen met: “Hello mister Yun!”
Op het terrein heeft het echtpaar een nieuw vakantiehuisje geplaatst. Hij vraagt ons of we het willen zien en wat we er van vinden. Nieuwsgierig als we altijd zijn naar huisjes en interieur, willen we dat wel. Het ziet er modern uit in tegenstelling tot de traditionele huisjes die er staan. Het zou prima passen in een mediterraan land. Het past echter niet zo goed bij de stijl van de andere huisjes, waardoor het naar onze smaak een ratjetoe wordt.
New Marjoly Beach heeft een fantastische keuken. Elke ochtend genieten we van een ontbijt met traditionele gerechten van Bintan. Men houdt wel van pittig eten en dat kunnen wij ook waarderen. De dagen kabbelen voorbij. Wat kunnen wij toch enorm genieten van niets doen.

Indonesië Bintan collage 02

Op de laatste dag arriveert Pak Fahmi op tijd bij het resort. Na ons ontbijt pakken we onze spullen en vertrekken we via een andere route naar de ferry. De chauffeur begint meteen te kletsen. Hij vindt dat we er bruiner uitzien dan zes dagen geleden. Als grap vertelt hij dat hij aan blanke buitenlanders die gebruind zijn vraagt waar ze op vakantie zijn geweest. En als hij een gebruinde Indonesiër tegenkomt, vraagt hij waar hij werkt. De achtergrond van dit grapje is als volgt. Indonesiërs mijden namelijk juist de zon, want een lichtere huid heeft meer status. Hieruit blijkt dat je een goede (kantoor)baan hebt en niet op het land in de volle zon hoeft te ploeteren. Men vindt het dan ook fijn om een kantoorbaan te hebben: je kunt mooie kleren en schoenen aantrekken, je zit de hele dag in de koelte door de aanwezigheid van een airconditioning en je wordt niet bruiner. Jeroen heeft dit fenomeen ook al in Vietnam gezien. Daar dragen de dames lange handschoenen tot over de bovenarmen, zodat ze een lichte huidskleur houden en duidelijk is dat ze niet op het land hoeven te werken.
We zijn ruim op tijd bij de ferry, dus drinken we in het dorp eerst nog een kop koffie met uiteraard pisang goreng. Pak Fahmi brengt ons daarna naar de haven en we nemen afscheid van elkaar. De boot vertrekt op tijd en vaart ons terug naar Singapore. Een verblijf op Bintan kunnen we anderen van harte aanbevelen.